Pensioenschoonmaak


Pensioensoorten 

Ouderdomspensioen
Meestal aangeduid met ‘pensioen’. Uitkering die een werknemer na zijn pensionering periodiek - bijvoorbeeld maandelijks - van het pensioenfonds ontvangt en die doorloopt tot de gepensioneerde overlijdt. Een pensioenregeling gaat uit van een bepaalde pensioenleeftijd, maar een werknemer kan soms ook eerder of later met pensioen gaan. De werknemer is zelf verantwoordelijk voor de eventuele financiële gevolgen van zijn keuze.

Partnerpensioen
Pensioen voor de nabestaande - de partner - van een overleden werknemer. Het partnerpensioen kan op risicobasis verzekerd zijn of worden opgebouwd. In het eerste geval worden voor een bepaalde periode de gevolgen van een bepaald risico - namelijk het overlijden van de werknemer - verzekerd. De aanspraak op partnerpensioen vervalt als de premiebetaling stopt. Bijvoorbeeld bij vertrek naar een andere werkgever of bij pensionering. In het tweede geval wordt het partnerpensioen tegelijk met het ouderdomspensioen opgebouwd. Bij veranderingen - zoals vertrek naar een andere werkgever - blijft het partnerpensioen voor de werknemer 'staan' en kan het eventueel worden ingebracht in een volgende pensioenregeling.

Wezenpensioen
Pensioen voor de kinderen van een overleden werknemer. Bij overlijden van de werknemer krijgen de kinderen van de werknemer tot een bepaalde leeftijd periodiek een uitkering.

Prepensioen
Pensioen om de periode tussen de pensioendatum volgens de pensioenregeling (eerder dan bij 65 jaar), en de ingangsdatum van de AOW-uitkering (vanaf 65 jaar) te overbruggen. Een prepensioen keert pensioen uit in de jaren voordat het ouderdomspensioen ingaat.

Op 1 januari 2006 is de wet VPL (Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloop) ingegaan. Deze wet maakt het fiscaal onaantrekkelijk om via een prepensioenregeling eerder te stoppen met werken. De meeste prepensioenregelingen worden daarom afgebouwd en aan nieuwe werknemers in ieder geval niet meer aangeboden.