De hoofdbestanddelen van een pensioenregeling zijn:
- ouderdomspensioen;
- partnerpensioen (of: nabestaandenpensioen);
- wezenpensioen.
Meestal wordt met ‘pensioen’ alleen de uitkering bedoeld die een werknemer na zijn pensionering maandelijks van het pensioenfonds ontvangt.
Via de overheid krijgt iedereen van 65 jaar of ouder die in Nederland gewoond of gewerkt heeft, een AOW-uitkering. Bij arbeidsongeschiktheid of overlijden zijn er ook wettelijke regelingen. In aanvulling op deze regelingen bieden de meeste werkgevers een pensioenregeling. Als een bedrijf een pensioenregeling heeft, nemen de werknemers verplicht deel aan deze regeling. Sommige werkgevers nemen (verplicht) deel aan een bedrijfstakpensioenregeling; dit is een pensioenregeling die voor de hele bedrijfstak geldt.
Pensioen wordt met een bepaald percentage per jaar opgebouwd. Voor de opbouw van dit pensioen wordt jaarlijks een premie opzijgezet. Deze premie wordt - afhankelijk van de pensioenregeling - door de werkgever of door werkgever en werknemer samen betaald. Het pensioenfonds beheert alle premies.
Vanaf de dag dat een werknemer met pensioen gaat, ontvangt hij van het pensioenfonds meestal maandelijks ouderdomspensioen. Vanaf zijn 65ste komt daar ook de AOW-uitkering van de overheid bij. Het ouderdomspensioen loopt door totdat de gepensioneerde overlijdt.