Pensioenschoonmaak


Over de dekkingsgraad 

1. Wat is dekkingsgraad?
De dekkingsgraad is de verhouding tussen het vermogen van het pensioenfonds en de pensioenverplichtingen (de opgebouwde pensioenen die nu en in de toekomst moeten worden uitbetaald). Bij een dekkingsgraad van 100% heeft een pensioenfonds precies voldoende geld in kas om de huidige en toekomstige pensioenen te betalen. Bij een dekkingsgraad van meer dan 100% beschikt het pensioenfonds over een buffer.

2. Aan welke dekkingsgraad moet een pensioenfonds voldoen?
Een pensioenfonds moet voldoen aan twee dekkingsgraden. De ‘minimaal vereiste’ dekkingsgraad: deze bedraagt 105%. Daarnaast is er een ‘minimaal gewenste‘ dekkingsgraad. Deze is per pensioenfonds verschillend. Dit verschil is onder andere afhankelijk van de aard van de beleggingen (het percentage aandelen) en de gemiddelde leeftijd van de deelnemers van het pensioenfonds. De minimaal gewenste dekkingsgraad van het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf is 111%.

3. Hoe hoog moet de dekkingsgraad van een pensioenfonds zijn?
Hoe hoog de dekkingsgraad moet zijn, verschilt per pensioenfonds. Dit is onder andere afhankelijk van de aard van de beleggingen (het percentage aandelen) en de gemiddelde leeftijd van de deelnemers van het pensioenfonds. De algemene regel is dat de minimaal vereiste dekkingsgraad van een pensioenfonds 105% is. De minimaal gewenste dekkingsgraad van het Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf is 111%.

4. Op welke manier kan het pensioenfonds de dekkingsgraad beïnvloeden?
Het bestuur van het pensioenfonds kan de dekkingsgraad verschillende manieren beïnvloeden, namelijk door:

  • het toeslagenbeleid (wel of niet verhogen van pensioenen en pensioenaanspraken);
  • de pensioenpremie;
  • het beleggingsbeleid;
  • de pensioenuitkeringen.

5. Wat als de dekkingsgraad van het pensioenfonds niet herstelt?
Als de dekkingsgraad niet of onvoldoende herstelt, dan onderzoekt het bestuur van het pensioenfonds welke oorzaken dit heeft. Op basis van dit onderzoek beslist het bestuur of aanvullende maatregelen nodig zijn. Als dit zo is, kiest het bestuur één of meer van de volgende maatregelen:

  • verhoging van de maximumpremie;
  • aanpassing van het beleggingsbeleid;
  • verlenging van de periode waarin geen verhogingen plaatsvinden;
  • tijdelijke verlaging van de pensioenopbouw;
  • korting van de pensioenen en pensioenaanspraken;
  • wijziging van de inhoud van de pensioenregeling;
  • wijziging van het karakter van de pensioenregeling.

Deze maatregelen zijn ingrijpend. Het bestuur van het pensioenfonds neemt daarom alleen een definitief besluit na overleg met cao-partijen.